ideaal advies sfeerfoto
Arbeidsongeschiktheid

Verlenging loondoorbetalingsplicht
Sinds 2004 geldt voor werkgevers een loondoorbetalingsplicht van twee jaar bij ziekte van werknemers. Het kabinet heeft werkgevers en werknemers opgeroepen om voor het tweede ziektejaar af te spreken geen aanvulling te geven op de loondoorbetaling op grond van een cao-afspraak of arbeidsovereenkomst. In het eerste ziektejaar is de werkgever wettelijk verplicht bij ziekte 70 procent van het salaris door te betalen en tenminste het wettelijk minimumloon. Op grond van cao-afspraken of een arbeidsovereenkomst wordt het loon bij ziekte in het eerste jaar veelal aangevuld tot 100 procent. De wettelijke minimumloongarantie geldt voor het eerste ziektejaar, maar niet voor het tweede ziektejaar. Voor het tweede ziektejaar heeft de werkgever slechts een loondoorbetalingsplicht die gemaximeerd is op het niveau van het maximumdagloon werknemersverzekeringen (€ 179,90 per dag in 2008).
Werkgevers en werknemers hebben met het kabinet afgesproken (Sociaal akkoord, november 2004) dat het loon bij ziekte over het eerste en tweede ziektejaar gezamenlijk niet meer bedraagt dan maximaal 170 procent van het laatstverdiende salaris. In de praktijk kan het voorkomen dat de werkgever gedurende de gehele periode van ziekte in het eerste en tweede ziektejaar 85 procent van het loon doorbetaalt (= 170 procent in totaal). Hoe de verdeling per jaar wordt geregeld, is veelal in de cao geregeld. 

Wet verbetering poortwachter
In de Wet verbetering poortwachter (Wvp) zijn de verantwoordelijkheden voor de werkgever en werknemer vastgelegd in geval van ziekte van de werknemer. Als gevolg van de verlengde loondoorbetalingsplicht is de regelgeving uit de poortwachterswet uitgebreid naar het tweede ziektejaar.
Op grond van de Wvp is een werkgever onder andere verplicht in een zogenoemd reïntegratiedossier de afspraken tussen werkgever en werknemer vast te leggen om terugkeer naar het werk te bevorderen en ook wat daadwerkelijk is gedaan om terugkeer naar het werk mogelijk te maken. Deze verplichtingen gelden ook voor het tweede ziektejaar.
Als een werkgever en werknemer zich voldoende hebben ingespannen voor reïntegratie, vindt aan het einde van het tweede ziektejaar de keuring van de werknemer plaats. Als een werkgever zich echter onvoldoende heeft ingespannen voor de reïntegratie, vindt er geen keuring plaats en kan het UWV bepalen dat de loondoorbetalingsverpliching voor de werkgever wordt verlengd met maximaal een jaar. Heeft een werknemer niet voldoende meegewerkt aan zijn eigen werkhervatting binnen de loondoorbetalingsperiode van twee jaar, dan mag de loondoorbetaling tijdelijk worden stopgezet. Hiervoor is wel toestemming nodig van het het CWI, dat advies moet vragen bij het UWV.
Aan het eind van het tweede jaar zal de WAO-beoordeling plaatsvinden op grond van het reïntegratieverslag, dat door de werknemer bij het UWV wordt ingediend over de twee voorafgaande ziektejaren.  

Arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen
Tot 1 juli 2004 waren zelfstandigen wettelijk verplicht zich te verzekeren voor arbeidsongeschiktheid op grond van de WAZ (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen). Deze publieke verzekering is afgeschaft. Vanaf 1 juli 2005 was geen nieuwe instroom in de WAZ meer mogelijk (i.v.m. de wachttijd van een jaar). Zelfstandigen die op 1 juli 2005 een uitkering hadden, bleven deze in geval van arbeidsongeschiktheid behouden.
Per 1 juli 2004 zijn zelfstandigen voor de verzekering van het arbeidsongeschiktheidsrisico aangewezen op een particuliere verzekering. Ten tijde van de afschaffing van de WAZ hebben veel zelfstandigen ervoor kunnen kiezen hun bestaande AOV-verzekering met een basisvoorziening uit te breiden, tegen een premieverhoging.  

Alternatieve verzekering zelfstandigen
Als gevolg van de afschaffing van de WAZ is voor een bepaalde groep zelfstandigen een alternatieve verzekering ontwikkeld. De overheid is dit met het Verbond van Verzekeraars overeengekomen. Deze alternatieve verzekering kent geen medische selectie en een leeftijdsgrens. Bepalend voor toetreding is dat iemand tot de afgesproken doelgroep behoort.

Deze doelgroep bestaat uit:
- voormalige WAZ-verzekerden die zich binnen drie maanden na afschaffing van de WAZ een private arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben aangevraagd, maar hiervoor door de verzekeraar werden geweigerd of te maken kregen met uitsluitingen en premie-opslagen op grond waarvan ze niet konden kiezen voor deze verzekering;
- startende zelfstandigen die binnen drie maanden na het starten van een onderneming een particuliere verzekering aanvragen, maar daarvoor worden geweigerd of uitsluitend met uitsluitingen en/of premieopslagen kunnen worden geaccepteerd;
- zelfstandigen met een WAZ-uitkering die herkeurd worden en daarbij volledig arbeidsongeschikt worden verklaard. Indien zij binnen drie maanden na beëindiging van het WAZ-uitkeringsrecht een particuliere verzekering aanvragen, maar daarvoor geweigerd of slechts met uitsluitingen en/of premieopslagen geaccepteerd kunnen worden;
- zelfstandigen met een in looptijd beperkte particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering tot bijvoorbeeld 50-, 55- of 60-jarige leeftijd. Zij hadden tussen 1 februari en 1 mei 2005 de gelegenheid om de periode tot 65 jaar via de alternatieve verzekering te verzekeren.
Voor de alternatieve verzekering geldt een wachttijd van twee jaar. Na deze periode wordt een uitkering verstrekt aan degenen die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn. Als de verzekerde arbeidsongeschikt raakt in de eerste vijf jaar na het afsluiten van de verzekering, is de uitkeringsduur vijf jaar. In het geval de arbeidsongeschiktheid na vijf jaar ontstaat, geldt een uitkeringsduur tot de leeftijd van 65 jaar. De uitkering bedraagt maximaal € 11.500 per jaar. De nettopremie ligt tussen de € 2.000 en € 2.500, afhankelijk van de beroepsklasse.
Met de alternatieve verzekering wordt voorkomen dat moeilijk verzekerbare ondernemers in geval van arbeidsongeschiktheid moeten terugvallen op de Algemene Bijstandswet en hun eigen vermogen moeten aanspreken, voordat zij recht hebben op een uitkering.  
 
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Per 28 december 2005 is de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) in de plaats gekomen van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (WAO). De WIA geldt voor werknemers die op of na 1 januari 2006 ziek zijn geworden. Werknemers die vóór deze datum ziek zijn geworden, behouden een recht op een WAO-uitkering. Bij de WIA wordt de nadruk gelegd op wat arbeidsongeschikte werknemers nog wel kunnen en niet op wat zij niet meer kunnen. Werken is dan ook lonend bij arbeidsongeschiktheid. De WIA is opgebouwd uit de regelingen IVA en WGA.  

Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA)
Dit is een regeling voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. Van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid is sprake als iemand niet meer dan 20 procent van zijn laatstverdiende loon kan verdienen en bovendien geen of een geringe kans heeft op herstel. Deze mensen hebben recht op een uitkering van de overheid van 70 procent van het (gemaximeerde) dagloon. De uitkering loopt in principe door tot de 65-jarige leeftijd van de werknemer. Het uitkeringspercentage is per 2007 – met terugwerkende kracht – verhoogd naar 75 procent.
De IVA-regeling wordt publiek uitgevoerd door het UWV. Het UWV zal gedurende vijf jaar jaarlijks onderzoeken of er sprake is van enig herstel bij mensen met een IVA-uitkering. Als dit het geval is, komt iemand alsnog in de WGA-regeling terecht (zie hieronder). Als na vijf jaar nog steeds geen sprake is van herstel, blijft de werknemer onder de IVA vallen.
De IVA kent een zogenoemde verkorte wachttijd. Als duidelijk is dat iemand die ziek wordt en naar alle waarschijnlijkheid nooit meer zal kunnen werken, hoeft geen 104 weken (twee jaar loondoorbetaling) worden afgewacht, voordat deze persoon recht heeft op een IVA-uitkering. Bij het UWV kan een verkorting van de wachttijd worden aangevraagd. In het kader van de verkorte wachttijd kan niet eerder dan 26 weken en niet later dan 78 weken een IVA-uitkering worden aangevraagd.
Voor de werkgever die te maken heeft met een werknemer die via de verkorte wachttijd in de IVA-regeling belandt, geldt dat de loondoorbetalingsverpliching wel gewoon doorgaat. Wel mag de werkgever de IVA-uitkering in mindering brengen op het loon. Ook geldt een ontslagverbod gedurende de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid.  

Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA)
Dit is een regeling voor mensen die tussen de 35 en 80 procent arbeidsongeschikt zijn en niet onder de IVA vallen. Hiertoe behoren ook volledig arbeidsongeschikten met een kans op herstel. Deze categorie gedeeltelijk arbeidsgeschikten wordt zoveel mogelijk gestimuleerd om te werken. De WGA kent twee uitkeringsperiodes: de loongerelateerde periode en de vervolgperiode.

Loongerelateerde periode
In de WGA-regeling wordt onderscheid gemaakt tussen werkende en niet-werkende arbeidsongeschikten. Beide groepen komen eerst in aanmerking voor een loongerelateerde uitkering die qua hoogte en duur overeenkomt met de loongerelateerde WW-uitkering. Recht op een loongerelateerde uitkering is er voor de werknemer die in de 39 weken die voorafgaand aan de eerste ziektedag ten minste 26 weken heeft gewerkt. Deze werknemer ontvangt een uitkering van 70 procent van het verschil tussen het (gemaximeerd) dagloon en het met werken verdiende loon. Afhankelijk van de leeftijd varieert de duur van loongerelateerde periode van een half jaar tot vijf jaar. 

De duur van de loongerelateerde WGA-uitkering is afhankelijk van het arbeidsverleden:

Arbeidsverleden

Duur loongerelateerde WGA-uitkering

< 5 jaar 

6 maanden

5 t/m 9 jaar

9 maanden

10 t/m 14 jaar

1 jaar

15 t/m 19 jaar

1,5 jaar

20 t/m 24 jaar

2 jaar

25 t/m 29 jaar

2,5 jaar

30 t/m 34 jaar

3 jaar

35 t/m 39 jaar

4 jaar

40 jaar

5 jaar

Vervolgperiode
Na de loongerelateerde periode wordt vastgesteld of de gedeeltelijk arbeidsongeschikte voor het percentage dat hij nog kan werken (= resterende verdiencapaciteit), dit ook voor ten minste vijftig procent benut. Als dit het geval is, heeft de gedeeltelijk arbeidsongeschikte recht op een loonaanvulling. De hoogte hiervan is 70 procent van het verschil tussen het laatst verdiende loon en het nieuwe met werken verdiende loon. De niet-werkende of niet in voldoende mate werkende gedeeltelijk arbeidsongeschikte ontvangt een vervolguitkering van 70 procent van het wettelijk minimumloon, vermenigvuldigd met het arbeidsongeschiktheidspercentage. Het resultaat hiervan is dat het altijd financieel (meer) lonend is om te werken. Kortom: werken loont en meer werken loont meer. Indien het inkomen voor een gedeeltelijk arbeidsongeschikte lager is dan het voor hem geldende sociaal minimum, kan hij een beroep doen op een aanvulling op grond van de Toeslagenwet (aanvraag bij UWV).
Werknemers die tijdelijk volledig arbeidsongeschikt zijn, hoeven niet aan de inkomenseis voor de loonaanvulling te voldoen.
Werknemers die door arbeidsongeschiktheid minder dan 35 procent loonverlies leiden, vallen niet onder de WGA-regeling; zij blijven gewoon in dienst van de werkgever. De werkgever en de werknemer moeten gezamenlijk zoveel mogelijk eraan doen om de zieke werknemer zo volledig mogelijk aan het werk te houden. Deze werknemer kan niet zomaar onslagen worden. Pas als blijkt dat ondanks forse inspanningen van de werkgever, er geen passende arbeid aan de werknemer aangeboden kan worden, mag de werknemer ontslagen worden. Ook als de werknemer zijn reïntegratieverplichtingen niet nakomt, kan hij ontslagen worden.

Reparatie WGA-regeling
Op een belangrijk punt is de WGA-regeling per 2007 aangepast. Dit is ten gunste van werknemers die meer verdienen dan het maximumdagloon. Met de aanpassing wordt bereikt, dat ook het loonverlies boven het maximum dagloon (€ 46.205 op jaarbasis) meetelt bij de bepaling van de verdiencapaciteit. Gevolg hiervan is dat het ook voor mensen met een hoger inkomen lonender zal worden om (meer) te gaan werken in geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. 
De wijziging houdt in dat er een factor 'f' is geïntroduceerd. Deze factor wordt aangeduid met de term 'reductiefactor'. Dit is het verschil tussen het 'dagloon' en het 'laatstverdiende' loon. Voor werknemers met een hoger inkomen dan het maximum dagloon, heeft deze factor een positief gevolg voor de hoogte van de WGA-uitkering (behalve de WGA-vervolguitkering).

Eigenrisicodragerschap
Binnen de WIA is het voor de werkgever ook mogelijk om te kiezen voor het zgn. eigenrisicodragerschap. Een werkgever kan het financiële risico voor gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (WGA-regeling) onderbrengen bij het UWV of het zelf dragen en dit eventueel verzekeren bij een private verzekeraar. Een werkgever die kiest voor het eigenrisicodragerschap voor de WGA, draagt zelf de WGA-uitkeringslasten voor de werknemers en is zelf verantwoordelijk voor de reïntegratie. Het UWV blijft de keuringen doen voor alle arbeidsongeschikten, ongeacht of er een publieke of private WGA-regeling is getroffen.

Per 1 juli 2004 konden kleine bedrijven (werkgevers die minder dan 25 maal de gemiddelde loonsom verlonen) nog voor een laatste keer kiezen voor het zgn. ‘eigenrisicodragerschap’ voor de oude WAO. Een wettelijke voorwaarde voor het verkrijgen van de eigenrisicodrager-status was dat het verzoek hiertoe dertien weken van tevoren was ingediend bij het UWV (vóór 1 april 2004). De werkgever moest hierbij een bankgarantie of een zekerheidsstelling overleggen. Daarna was het voor kleine bedrijven niet meer mogelijk om eigen-risicodrager te worden, tot 2007. Het beëindigen van deze mogelijkheid had tot doel te voorkomen dat het draagvlak van de collectieve verzekering te zeer versmalt. Aan het eigenrisicodragerschap is een minimale termijn verbonden van drie jaar.

Werkgevers die al vóór 2005 eigenrisicodrager waren voor de WAO, zijn dit op grond van de WIA automatisch geworden, tenzij men tijdig heeft aangegeven (vóór 29 december 2005) dit niet meer te willen. Men is dan teruggegaan naar het publieke bestel (UWV). Grote werkgevers konden per 2006 eigenrisicodrager worden voor de WGA-regeling. Om dit te worden moesten zij vóór 29 december 2005 een aanvraag indienen bij de UWV en een zekerheidsstelling overleggen. Kleine bedrijven konden hiervoor nog niet opnieuw kiezen.

Startende bedrijven konden wel eigenrisicodrager worden bij de start van hun bedrijf. Kleine werkgevers konden overigens weer vanaf 2007 eigenrisicodrager worden voor de WGA-regeling. De periode van tien jaar geldt voor alle werknemers die met ingang van 1 januari 2007 recht hebben op een WGA-uitkering. Volgens het kabinet is een langere duur van tien jaar, lonender om te investeren in het opnieuw aan de slag helpen van werknemers.
Een werkgever die kiest voor het eigenrisicodragerschap moet ook de WGA-uitkering betalen voor de reeds lopende ziektegevallen (zgn. inlooprisico). Dit betreft de werknemers :
- die al ziek waren, vóórdat de werkgever eigenrisicodrager werd en op dat moment nog geen uitkering ontvingen;
- die een uitkering ontvangen op het moment dat de werkgever eigenrisicodrager wordt (voorzover deze uitkering nog vier jaar loopt).

Werkgevers die het eigenrisicodragen willen beëindigen, blijven verantwoordelijk voor de WGA-uitkeringen die werknemers op dat moment krijgen (zgn. uitlooprisico). Dit betreft werknemers:
- die al ziek zijn op het moment dat de werkgever ophoudt eigenrisicodrager te zijn;
- die een uitkering ontvangen op het moment dat de werkgever ophoudt eigenrisicodrager te zijn (tot het moment dat vier jaar lang een uitkering is ontvangen).
Kortom, de eigenrisicodrager is verantwoordelijk voor het inloop- en het uitlooprisico.
Voor rekening van de eigenrisicodrager, komt de loongerelateerde uitkering en de vervolguitkering. Als de werknemer zijn restcapaciteit benut en daardoor recht heeft op een loonaanvulling, dan moet de eigenrisicodrager in eerste instantie ook de loonaanvulling betalen. Het verschil tussen de loonaanvullingsuitkering en de vervolguitkering kan de werkgever vervolgens weer declareren bij het UWV.
Grote bedrijven kunnen elk jaar per 1 januari of 1 juli eigenrisicodrager worden. De aanvraag hiervoor moet dan uiterlijk vóór 1 april, respectievelijk vóór 1 oktober zijn ingediend. Dit moet bij de Belastingdienst gebeuren.
Voor de IVA-regeling is niet nog niet mogelijk eigenrisicodrager te worden. De politiek moet hierover nog een beslissing nemen. 

Nieuwsbrief WGA eigenrisicodragen
 
Ziekte bij aanvang of beëindiging eigenrisicodragerschap
Bij het aangaan of beëindigen van het eigenrisicodragerschap moet rekening gehouden worden met werknemers die op dat moment ziek zijn. Een werkgever die kiest voor het eigenrisicodragen draagt vanaf dat moment de uitkeringslasten voor bestaande ziektegevallen. Ook is hij verantwoordelijk voor toekomstige WGA-uitkeringen. Reeds ingegane WGA-uitkeringen vallen doorgaans niet onder de dekking van een particuliere verzekering. Verzekeraars zijn veelal wel bereid dekking te verlenen voor ziektegevallen vanaf de datum van de aanvraag van het eigenrisicodragerschap of zelfs in de periode kort daarvoor.

Aanvraagprocedure
Grote bedrijven kunnen elk jaar per 1 januari of per 1 juli eigenrisicodrager worden. De aanvraag hiervoor moet dan uiterlijk vóór 1 april, respectievelijk vóór 1 oktober zijn ingediend. Dit moet bij de Belastingdienst gebeuren. De Belastingdienst rekent hiervoor geen kosten. 
De Belastingdienst heeft besloten de aanvragen via een centraal loket af te handelen. Het centrale adres is:

B/CA Heerlen (Belastingdienst/Centrale Administratie)
Postbus 2566
6401 DB HEERLEN

Het aanvraagformulier en de modelgarantieverklaring zijn te downloaden vanaf de site van de Belastingdienst. De Belastingdienst accepteert een elektronische handtekening van de verzekeraar op de garantieverklaring.
 
Premies per 2008
Per 2008 krijgen werkgevers te maken met twee premies: 

1. WAO-basispremie
Uit deze premie worden de WAO-uitkeringen gefinancierd die op dat moment langer dan vier jaar geleden zijn ingegaan en de IVA-uitkeringen (voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten) die in 2006 en 2007 zijn ingegaan.

2. Gedifferentieerde WGA-premie
Uit deze premie worden gefinancieerd de WGA-uitkeringen voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten. De gedifferentieerde WGA-premie verschilt per bedrijf en is afhankelijk van het aantal werknemers van het bedrijf dat een beroep doet op de WGA-regeling. Een gedifferentieerde premie moet werkgevers motiveren: de premie is lager naarmate er minder werknemers van het bedrijf een beroep doen op de WGA-regeling. Voor de premiestelling van het jaar 2008 zijn de uitkeringslasten van 2006 relevant. Dit heet de T-2 methodiek. Een eigenrisicodrager hoeft geen gedifferentieerde WGA-premie te betalen.
Per 2008 zal ook de IVA-premie gedifferentieerd worden.

Het UWV heeft de basispremie voor de WGA voor 2008 vastgesteld op 0,57 procent. Dit betreft een gemiddelde premie die wordt opgehoogd met de vaste opslag van 0,28 procent (rentehobbel). De hoogte van deze opslag wordt jaarlijks door de overheid vastgesteld. De opslag is bedoeld om een eerlijke concurrentie tussen het UWV en de particuliere verzekeraars mogelijk te maken. De hoogte van de opslag zal per jaar naar verwachting lager worden. Werkgevers worden voor deze opslag gecompenseerd door een verlaging van de basispremie voor de WIA.

Aan de gedifferentieerde premie is een minimum en een maximum gesteld. De maximum gedifferentieerde premie bedraagt voor grote werkgevers (gemiddelde loonsom meer dan € 682.500) 2,32 procent. Voor kleine bedrijven (gemiddelde loonsom tot € 682.500) is de maximumpremie 1,74 procent. De minimumpremie voor grote werkgevers is 0,05 procent en voor kleine werkgevers 0,3 procent.
Met behulp van een rekeninstrument van het UWV kan per werkgever een indicatie worden verkregen van de gedifferentieerde WGA-premie.

Rekeninstrument gedifferentieerde WGA premie

Verhalen deel WGA-premie op werknemer
Werkgevers hebben de mogelijkheid de WGA-lasten voor maximaal 50 procent te verhalen op het nettoloon van de werknemers (verhaalsrecht o.g.v. Wet financiering sociale verzekeringen, art. 34 lid 2 en art. 122b). Het maakt niet uit of de WGA-regeling verzekerd is via het UWV of via een particulier verzekeraar. Premie-inhouding is een zaak van overleg tussen werkgever en werknemer.
Omdat een private verzekeringspremie meer kan omvatten dan alleen premie voor het WGA-risico (bijv. uitkering bij ziekte, of aanvullingen op WIA-uitkering), kan alleen het deel van de premie dat betrekking heeft op het WGA-risico deels op de werknemer worden verhaald. Bij de keuze van een ruimere dekking dan het WGA-risico, moet de WGA-premie afzonderlijk worden berekend en zichtbaar worden gemaakt. Dit is noodzakelijk om te voorkomen dat werknemers onbedoeld meebetalen aan andersoortige dekkingen. 

Uitvoering WGA-regeling 
Sinds 2007 heeft iedere werkgever de mogelijkheid om te kiezen tussen een private of een publieke verzekering voor de financiering van de WGA ofwel te kiezen voor het eigenrisicodragerschap. Werkgevers die keizen voor een publieke verzekering (verzekering bij UWV) betalen op de premie van het UWV een opslag. Deze toeslag is nodig private verzekeraars op eerlijke wijze te laten concurreren met publieke verzekeraars. Vanwege het verschil in financieringsvorm zou het verzekeren bij een particuliere verzekeraar in eerste instantie duurder zijn dan het verzekeren bij het UWV. Dit is het gevolg van een verschil in financieringsvorm voor de private en publieke sector: verzekeraars werken op basis van kapitaaldekking en het UWV op basis van het omslagstelsel. Private verzekeraars zijn op grond van het kapitaaldekkingsstelsel verplicht de eerste jaren een reserve te vormen om aan hun uitkeringsverplichtingen te voldoen. Het aanhouden van financiële reserves komt tot uitdrukking in de premiehoogte. Voor het UWV geldt dat de uitkeringen uit de lopende premieinkomsten bekostigd mogen worden. Het UWV mag werken op grond van het zgn. omslagstelsel. 
 
No-riskpolis
De werkgever heeft een beperkt financieel risico als hij een gedeeltelijk arbeidsongeschikte in dienst neemt. Als deze werknemer meer dan 35% arbeidsongeschikt is en binnen 5 jaar na indiensttreding door ziekte of arbeidsongeschiktheid niet meer kan werken, vergoedt de UWV aan de werkgever of aan de werknemer het ziekengeld. Ook als de werknemer na twee ziektejaren in aanmerking blijkt te komen voor een WIA-uitkering, wordt dit niet aan de werkgever doorberekend (geen opslag op de gedifferentieerde Pemba-premie).
Deze zgn. no-riskpolis geldt in principe voor de duur van vijf jaar, maar kan door het UWV verlengd worden als de werkgever een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer in dienst neemt of houdt met een aanzienlijk verhoogde kans op ziekte of arbeidsongeschiktheid. Een blijvend recht op een WGA-uitkering wordt niet aan de werkgever doorberekend.
Ook krijgt een werkgever korting op de premies voor de sociale verzekeringen als hij een gedeeltelijke arbeidsongeschikte in dient neemt of houdt.
Een werkgever heeft recht op loondispensatie – via het UWV – als de prestatie van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer niet in verhouding staat met het loon dat moet worden betaald.
Ook bij het in dienst nemen van een werknemer die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, kan een werkgever in een bepaald geval een beroep doen op de no-riskpolis. Voorwaarde is dat deze werknemer, voor hij in dienst trad bij de werkgever, twee jaar lang ziek was en niet in staat was zijn gebruikelijke of andere passende arbeid te verrichten bij zijn oude werkgever. Ook had hij geen dienstbetrekking bij een andere werkgever, ten tijde van de WIA-keuring.
Sinds 29 december 2005 geldt de no-riskpolis ook als een werkgever een zieke werknemer in dienst houdt die na twee jaar loondoorbetaling, meer dan 35% arbeidsongeschikt is en een WIA-uitkering ontvangt.
Sinds 1 mei 2005 geldt dat een werkgever onbeperkt een beroep kan doen op de no-riskpolis als hij een jonggehandicapte in dienst neemt, die een Wajonguitkering heeft of heeft gehad. Bij ziekte van deze werknemer kan een beroep op de no-riskpolis worden gedaan. 
 
Procedurele regels terugkeer naar het werk
Op grond van de WVP gelden de volgende regels voor werkgever en werknemer bij ziekte van een werknemer:
- Melding van ziekte van werknemer binnen een week na zijn ziekmelding bij de arbodienst of de bedrijfsarts. Volg daarbij evt. voorschriften van de verzekeraar.
- Werkgever, arbodienst of bedrijfsarts houden minimaal eens in de 6 weken contact met de zieke werknemer. Onderzocht moeten worden welke mogelijkheden er zijn om de werknemer weer aan de slag te helpen.
- Bij vermoeden van bedrijfsarts of arbodienst dat de ziekte langer dan 6 weken gaat duren, volgt er na uiterlijk 6 weken van ziekte een probleemanalyse: een beoordeling van de mogelijkheden om weer aan het werk te gaan.
- Uiterlijk in de achtste week van ziekte moet er met de werknemer een plan van aanpak voor herstel en reïntegratie worden gemaakt. Een casemanager moet worden aangewezen om de uitvoering van dit plan te begeleiden. Casemanager kan zijn de werkgever zelf, de arbodienst of het reïntegratiebedrijf.
- Eerst moet gewerkt worden aan reïntegratie binnen het eigen bedrijf, vervolgens aan reïntegratie bij een ander bedrijf
- In een reïntegratiedossier moet alles vastgelegd worden wat er afgesproken en gedaan is. Regelmatig moet worden bepaald of bijsturing nodig is.
- Na 13 weken ziekte moet het verzuim worden gemeld aan het UWV. Een eigenrisicodrager moet na 8 maanden melding maken
- Na een jaar ziekte evalueren werkgever en werknemer samen hoe het eerste ziektejaar is verlopen. Samen wordt vastgesteld welk resultaat in het tweede ziektejaar behaald moet worden en hoe dit zal moeten gebeuren.
- Als een werknemer na 20 maanden nog niet aan het werk is, moet een reïntegratieverslag opgesteld worden. In het verslag komt aan de orde wat concreet is gedaan en bereikt en wat het oordeel van partijen is
- Bij de aanvraag van een WIA-uitkering beoordeelt het UWV het reïntegratieverslag; de zgn. poortwachterstoets. Een WIA-uitkering volgt als werkgever en werknemer zich voldoende hebben ingespannen om te voorkomen dat een uitkering nodig is. 
- De WIA-keuring kan worden uitgesteld, als de werkgever en werknemer gezamenlijk dit verzoeken bij het UWV. 
 
Herbeoordeling huidige WAO'ers
Voor de huidige WAO'ers geldt dat zij herbeoordeeld worden op basis van strengere regels. Het gaat in dit verband voor om het verplichte systeem van herbeoordelingen op vaste momenten af te schaffen en bestaande arbeidsongeschikten te laten herbeoordelen in een nader te bepalen volgorde en tijdpad. Er vindt een herbeoordeling op leeftijd plaats. Deze zgn. cohortsgewijze herbeoordelingen gelden niet voor personen die op 1 juli 2004 55 jaar of ouder waren en voor arbeidsongeschikten die bij een eerdere herbeoordelingsoperatie zijn ontzien. 
 
Arbodienst
Een werkgever was tot 1 juli 2005 verplicht zich aan te sluiten bij een gecertificeerde arbodienst. Contracten tussen de werkgever en de arbodienst waren gericht op de begeleiding van zieke werknemers tijdens het eerste ziektejaar. Als gevolg van de verlengde loondoorbetalingsplicht zijn contracten met de arbodienst doorgaans verlengd naar 2 jaar.
Sinds 1 juli 2005 zijn werkgevers echter niet meer verplicht een arbodienst in te schakelen bij de uitvoering van hun arbeidsomstandighedenbeleid (Wet Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een gewijzigde organisatie van de deskundige bijstand bij het arbeidsomstandighedenbeleid). 
Per 1 juli mag een werkgever ook buiten de arbodienst om deskundigheid op het gebied van arbodienstverlening in huis halen, mits er maar een contract is met een bedrijfsarts. Dit laatste is van belang omdat alleen een bedrijfsarts (wettelijk) in staat is om te bepalen of er sprake is ziekte of gebrek, in relatie tot het werk.
 Als gevolg van de per 2005 gewijzigde arbowet staat de interne deskundigheid ten aanzien van arbo-omstandigheden centraal. Dit houdt onder andere in dat elk bedrijf verplicht is een preventiemedewerker te hebben. Deze preventiemedewerker draagt zorg voor de dagelijkse veiligheid en gezondheid binnen een bedrijf. Verder is geregeld dat alleen voor bedrijven met 10 of meer medewerkers de verplichte Risico-inventarisatie en - evaluatie (RIE) niet meer nodig is. Een RIE moet inzicht geven in de gevaren die zicht binnen een bedrijf kunnen voordoen en de kans dat deze optreden.